Brinkerweg 27

Brinkerweg 27

De Emsterhof
M 127

Auteur:
Evert de Jonge

Publicatie:
Verschenen in Ampt Epe 165, februari 2008

Inhoudsopgave:

    Inleiding

    Ten noordoosten van Emst, vlak naast de oude spoor­lijn tussen Apel­doorn en Zwolle, ligt een fraaie boerderij die bekend staat als De Emster­hof. Het betreft een van de oudste boerderijen in de gemeente Epe.

    Over de geschiedenis is vrijwel niets gepu­bli­ceerd en dat is jammer, want al is het gebouw niet middeleeuws, de geschie­de­nis van het object gaat wel terug tot die tijd. Eens was het de woon­plek van de Veluwse richters, de belangrijkste her­to­ge­lijke func­­tionarissen op de toen­­malige Veluwe. Zij waren namens de her­tog belast met de handhaving van orde en gezag, hiel­­pen mee om in oorlogstijd de rid­der­schap op te roepen en aan te voe­ren en onder­­steunden het innen van de grond­belas­ting.

    Daarna woon­den op de boerderij belangrijke fami­­lies, zoals de Van Lim­­burgs en Daendels. Pas in de negentiende eeuw werd het een ‘gewo­ne’ boer­derij. Thans is het een van de vele boer­de­rij­en in de buurt­schap Westendorp tussen Emst en Epe.

    De geschiedenis van De Emsterhof begint in de periode van de hoven op de Veluwe.

    Hofstelsel en richters

    In de Middeleeuwen waren de mensen in meer­de­re standen, thans zou­den we zeggen klassen, inge­deeld. De hoogste twee waren de gees­telijken en de adel. De derde en laagste stand werd ge­vormd door de rest, maar deze groep was weer ver­deeld in allerlei sub­stan­den. Zo waren er ste­de­lingen en zogenaamde vrijen, maar ook onvrije men­sen, de zoge­naam­de horigen. Dezen woonden bin­nen een bepaald gebied, niet ver van een hof (boerderij) van een heer (of geestelijke instel­ling), wiens land men bewerkte tegen een pacht in natu­ra. Op het hof woonde meestal een meier -soms van adel­­lij­ke afkomst- die de pachten voor de heer regelde, maar tevens de gron­den die direct onder het hof vielen, liet bewerken door de hori­gen. Dit heette heren­diensten. Ook werd er op een hof recht ge­spro­­ken: het zogenaamde hof­­gericht. De kring van horigen die onder een der­gelijke rechtskring viel, werd aangeduid als de ‘echte’ van het hof (als een soort huwelijk). Wie tot een echte hoor­­de, dien­de binnen deze kring te huwen: door wisseling van horigen kon er bui­ten de hof worden getrouwd. Het hof, de dien­sten en de hori­gen noemt men het hofstelsel.

    Dit klinkt alles als een zware last voor de hori­ge, maar in de prak­tijk viel het mee. In de twee­­de helft van de Middeleeuwen raakte het stel­sel, vooral op de Veluwe, snel in verval. De pach­ten bleven ech­ter en omdat die door de stij­ging van de geldwaarde in natura dien­den te wor­­den betaald, werden de horige boeren relatief wel­­­varen­der dan menige vrije platte­landsbewoner!

    De Emsterhof heeft zijn ontstaan te danken aan het hofstelsel. Als ‘den hoff thoe Empss’ werd het in 1313 genoemd als bezit van rid­der Heri­bert van Putten, die op het gelijknamige kas­teel Put­ten bij Elburg woonde. Hij was een der grootste grond­­be­zit­ters op de Velu­we. Al tij­dens zijn leven was De Emsterhof geen hof­boerderij meer, want de bewo­ner was toen een zekere Lubbert van Emse. Hij kan een nako­meling van voormalige mei­ers zijn geweest.

    Of het door de centrale ligging op de Veluwe komt, is niet duidelijk, maar opvallend is dat een aantal decennia richters van de Veluwe op De Emsterhof woonden en leden van de familie Van Em(p)se waren. In 1265 wordt er gespro­ken van Theodericus (Dirk) de Emse, judex Velue, en in 1307 is de al genoemde Lubbert van Emse judex in Velua. Eerstgenoemde bezat goe­deren in de Oos­­teryck, onder andere de curtis Erlehove (Ade­laars­hof), waarop hij hypo­theek nam ten gunste van het Kapittel van Sint Marie te Utrecht. Zijn wapen was een opsprin­gend hert. Het toeval wil dat dit later het ambts­wapen van Epe en nog later van de gemeente werd.

    Leengoed

    De Emsterhof of ‘Den hof tot Empsse’ werd na de ‘hofperiode’ ver­he­ven tot leen van de leen­ka­mer van het huis Putten. Dit bete­ken­de dat dege­ne die door erfopvolging bezitter werd van het hof, zich moest laten belenen, een sym­bo­li­sche daad waarbij de leen­heer (huis Putten) van zijn leenman (op De Emsterhof) een bedrag aan geld kreeg. De leenregisters, die bewaard zijn vanaf de zes­tien­de eeuw, geven duidelijkheid over de bezitters van De Emster­hof die de familie Van Emse opvolgden. Aller­eerst werd in 1482 een zeke­re Arent ven Brie­nen beleend met De Em­ster­hof en na hem -in 1502- zijn zoon Hendrik van Brienen. De fami­lie Van Brie­nen was een voor­­aanstaande rid­der­matige familie, bezat diver­se kastelen en stond in de gunst bij diverse Gel­der­se herto­gen.

    Na Hendriks dood werd in 1526 zijn zoon Arent van Brienen be­leend, die op zijn beurt weer werd opgevolgd door heer Johan van Brienen, een geestelijke. Zijn belening staat niet in de regis­­ters. Wel meldde het leenregister dat Johan in 1531 het nabijgelegen Larysgoed ver­wierf, even­­eens een leen van het huis Putten. Dit goed is vrijwel zeker identiek met het Pijke­rensgoed dat thans nog aan de door­gaan­de weg tussen Emst en Epe ligt (aan de over­kant van de schaaps­kooi).

    Al vóór 1550 verkocht Johan de twee leengoe­de­­ren aan zijn zwager en zuster Reijner van Arler en juf­fer Eefsche van Brienen. Zijn zus­ter liet dit pas na de dood van haar man belenen.

    Van Arler

    De familie Van Arler was rond 1430 in pand­bezit van de schout­­amb­ten Putten en Nijkerk gekomen. De genoemde Reijner van Arler was een lid van deze familie en van 1522 tot 1531 schout van Put­­ten en slotvoogd van Hul­cke­stein, een burcht in de buurt van Nij­kerk. Hij was een belangrijk per­soon op de Noordwest-Velu­we en zal waar­schijn­lijk geen voet hebben gezet op De Em­ster­hof.

    Na zijn dood verdeelde zijn vrouw Eefsche de twee leengoederen onder haar zonen. Zoon Reij­ner junior kreeg De Emsterhof -hij was toen cir­ca 15 jaar- en pas als meerderjarige, op 23-5-1569, deed hij zelf leen­hulde. Na zijn huwe­lijk met jonkvrouw Marga­re­tha Rickss beslo­ten de ech­telieden een testament te maken, waar­bij zijn vrouw het vruchtgebruik van De Emster­hof kreeg (6-2-1576). Het echt­paar had geen kinderen. Na het overlijden van Reijner (1587) zou Mar­ga­retha nog ruim 44 jaar gebruik maken van haar recht. Zij over­leed, onge­veer 80 jaar oud, in 1631. De Emsterhof ver­erfde toen op Reij­ners oudere broer Hen­drik, die van moeder Eefsche al het Larys­goed had gekregen.

    Hendrik woonde vermoedelijk in Harderwijk waar hij onder andere gil­de­­meester van het Sint-Georgiusgilde was. Naast de goederen in Emst was hij ook medebezitter van het stam­goed Arler in Putten. Maar hij kwam er niet zon­der kleer­scheu­ren van af, want in 1595 had hij onenig­­­heid met zijn zuster Catharina over het gemeenschappelijke bezit. Schijn­baar deel­de hij de revenuen niet graag en eerst na tus­sen­­komst van het Hof van Gelre moest hij het weer goedmaken en dul­­den dat ook zij gebruik maakte van het stamgoed.

    Hendrik was getrouwd met Hermanna van der Hell, een dochter van Cosijn van der Hell en Trui­da van Oldenbarnevelt (een ver fami­lielid van de bekende raadspensionaris Johan van Olden­bar­ne­velt), en over­leed omstreeks 1621. Zijn zoon Reij­ner werd op 25 febru­ari 1622 beleend met zowel De Emsterhof als het Larys­goed. In 1631 droeg hij deze over aan zijn doch­ter Hermantgen van Arler. Even gooi­­de Reij­­ners broer Johan roet in het eten, want hij claim­de het bezit van de twee goederen. Ook nu weer zou door tussen­komst van het Hof van Gelre het recht zege­vie­ren. Wel werd in de uit­spraak opgenomen dat, indien Hermantgen zou overlijden zonder lijfs­­erven, Johan opnieuw een kans zou krijgen.

    Noch de familie Van Brienen, noch Van Arler woon­de op De Em­ster­hof, zodat de feitelijke bewo­­­ners (onbekende) pachters waren. Die zul­­len onge­­twij­feld al een herenkamer hebben moeten onder­­hou­den, waarin de eigenaren af en toe een tijd­je konden ver­blij­ven. Voor­al in de zomer ont­vluchtte men -ook toen al- graag de stad. Pas in de zeventiende eeuw kwam hier verandering in, toen Her­mant­gen van Arler naar Emst ver­huis­de.

    Ruziënde adel

    Juffrouw Hermantgen van Arler, zoals zij werd genoemd, was ge­huwd met Johan van Wijck. In 1639 maakte zij met het oog op haar lastige oom Johan een testament, waarin zij bepaalde dat De Em­sterhof en Larysgoed zouden ver­er­ven op de kinderen van haar moe­ders zusters Aeltgen en Egbertien van Nulde. In 1656 her­haalde zij dit nog eens, waarbij de uitspraak van het Hof vol­komen werd genegeerd.

    In haar laatste tes­ta­ment werd haar man jonker Jan van Wijck genoemd. Ook hij pro­fi­teerde van een eventuele erfe­­nis, want zijn nichten moes­ten hem in voor­ko­mend geval 1000 gul­den uit­be­talen. Dit had een speciale reden, want -zo is te lezen in het tes­tament- jonker Johan had ‘so aen die tim­me­ra­gie vant Huys als anderen, waren aengelecht ende verbetert’, en dat moest natuurlijk op een of andere wijze wor­den vergoed.

    Het echtpaar Van Wijck-van Arler was het eer­ste echtpaar van de bezitters die met zeker­heid ook daadwerkelijk op De Emsterhof woon­den. Bij hun entree hadden zij de woning dus flink ver­tim­merd. Jonker Johan, die afkomstig was uit een oud-Betuws adellijk geslacht, had dan wel iets bene­den zijn stand getrouwd, maar wel iemand met geld!

    Om nu zijn ambities waar te maken en met de andere lokale adel te kunnen wed­ijve­ren, was het nodig De Emsterhof meer allure te geven. Dit kon door de woning te ver­fraaien en daar­mee meer sta­tus te krijgen. Hij noemde zich daar­­om alvast Jonker Johan van Wijck tot den Emster­hof.

    De volgende stap was het ver­wer­ven van het lidmaatschap van het lokale ambts­­jon­ker­col­lege (de bestuurders van het schout­ambt Epe) en daarna de Veluw­se ridder­schap. Om dat te bereiken, moest hij ver­schil­len­de hob­bels nemen, zoals het bezit van 25 morgen land (cir­­ca 21½ hec­tare) of een waar­de van 18.000 gul­den in onroerend goed. De Emsterhof vol­deed hier nog niet aan, maar door aan­ko­pen kon je zoiets wel bereiken. Een andere zaak was het aantonen van adel­dom.

    Het zat Johan niet mee. In 1640 werd hij welis­waar geërfde van Veluwe -een status die iede­re grote­re grondbezitter kon bereiken- maar dat was niet genoeg om het te maken. De ver­meer­de­ring van zijn bezit kwam maar niet van de grond. Ook een poging om zijn adel­dom te laten bevestigen voor het gerecht van Wijk bij Duur­ste­de leverde niet het gewenste resultaat op.

    De frustraties zaten diep. In 1657 werd de jon­ker ook nog eens flink ver­nederd, toen hij ordi­nair ruzie kreeg om een claim op een bank in de kerk van Epe. Wat was het geval? Zijn doch­ters zouden plaats heb­ben genomen op de bank van een ‘gewone’ boeren­fami­lie. Toen die hun recht claimde, had jonker Johan er niet voor terug­­­gedeinsd van scheldwoorden gebruik te maken. In zijn aan­klacht voor de schout van Epe -die een neef van hem was- claim­de hij het bezit van de bank, als erfgenaam van zijn ouders. Een reeks van getui­gen pro en contra, van wie som­mi­gen ooit als dienst­bode hadden ge­werkt voor de jonker, legde een getuigenis af. Uit de stuk­ken blijkt één ding: de lokale adel steunde de jon­ker niet. Blijkbaar werd hij in zijn tijd al als een ‘kale’ jonker gezien! Ondanks de nederlagen zou Johan tot aan zijn dood het predikaat van jon­ker hardnekkig blijven gebruiken.

    Belasting betalen is van alle tijd

    In het kohier van de verponding (populair gezegd de onroerend­goed­belasting) van het ambt Epe werd De Emsterhof in 1648 ge­noemd als lig­gen­de in de buurtschap Westendorp. Jonker Johan van Wijck werd -als man van Hermanna van Arler- als eige­naar aan­ge­sla­gen, al was de wer­ke­lij­ke betaler zijn pachter Jan Alberts. Deze moest 14 gulden betalen voor het huis en hof, groot 3 spint, en aan­gren­zen­de 3 mor­gen wei­de­land. Tevens pachtte hij nog 7 mud zaai­land, waarvoor hij tiendplichtig was en daarom de vierde ger­ve (een vierde deel) aan de Gelderse Rekenkamer schul­dig was. Tot slot moest ook 4 gulden en 17 stui­vers tijnsrecht afgedragen wor­den aan de Reken­­kamer. Er werd nog vermeld dat er rond het goed heg­geholt (om het goed staande bomen en struiken) stond. Jan Alberts was in 1663 ook nog pachter van het goed. Toen werd de belas­ting verlaagd tot 11 gulden en 11 stuivers.

    Het echtpaar Van Wijck-van Arler had vier doch­ters. De oudste juffrouw Ger­dina van Wijck huwde met jonker Andries van Limborch. Zij werd op 4 sep­tem­ber 1678 beleend met de twee leen­goe­de­ren, als erf­­gename van haar moeder Her­man­na. In de akte staat dat de goe­­deren moes­ten wor­den gedeeld, waarna haar zus­ters, de juf­fers Catha­­rina, Johanna Theo­do­ra en Reier­tjen (ook Rei­ni­ra genoemd), ieder apart met een vierde deel werden beleend.

    Zuster Johanna Theodora huwde Lodewijk van Hat­tum. Hun enige kind Hermanna Wil­hel­mi­na, geboren 1682, huwde in 1711 met Egbert Daen­dels. Moeder en dochter sloten nog kort voor het huwe­lijk op 6 juli 1711 een mage­scheid (boe­delscheiding) samen met Rei­nira, Johan­na’s zus­ter, waarin een eerdere schei­ding uit 1708 -ge­maakt na het overlijden van zuster Catharina- tus­sen de ge­noem­de zusters en hun oudere zus­ter Gerdina ter sprake kwam. Rei­nira deed nu afstand van het land dat zij in 1708 kreeg toe­ge­deeld. Johanna Theo­dora en haar dochter hiel­den het land en betaal­den daar­voor aan hun zuster c.q. tante een bedrag van 1100 gul­­dens. Het huis De Em­ster­hof kwam toen volledig in hun handen en Gerdina behield alleen zaailand en akkers. De nieuwe eige­na­res­se zou niet lang in het bezit blijven van De Emsterhof, want zij over­leed zeven jaar later (1718).

    Bronnen

    Nederlandsche Leeuw, jrg. 1943 en 1962
    Gelders Archief:
    -Bataafs-Frans archief, inv.nr. 4784
    -Archief Leenkamer Putten
    -Collectie Muschart, deel 23
    -Huisarchief Tongeren
    -Civ. Proc. Hof, inv.nr. 5387 (proces 1657 nr. 43)
    Streekarchief Noord-Veluwe, standplaats Epe:
    -Archief notaris Van der Feltz, inv.nr. 723, akten 54, 56 en 70
    -Bevolkingsregisters
    -Kadaster
    Gesprekken met de heer J. van Westerveld (‘Klei­ne Jan’), familie Bokma

    Literatuur:

    W.F.M. Ahoud, ‘De oudste generaties van enkele geslachten Van Wijck in de Betuwe’ in: Genea­lo­gi­sche bladen, deel 4 (Arnhem 1997), 108-151
    H. Brom, Oorkondenboek Sticht Utrecht
    K. Heringa, Oorkondenboek Sticht Utrecht, deel II (Den Haag 1940)
    Geen reactie's

    Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.