Eperweg 27

Eperweg 27

Oude woonplekken in Emst (IV):
Het Witteveen

Auteur:
Evert de Jonge

Publicatie:
Verschenen in Ampt Epe 206, februari 2016

Inhoudsopgave:

    Inleiding

    Wie vanuit Emst naar Epe rijdt, ziet vlak voor de laatste bocht links een fraaie boerderij. De naam van deze boerderij is ontleend aan een gebied dat ‘Het Witt­e­veen’ werd genoemd.

    Is de naamsverklaring voor de hand liggend? Neen; het betreft geen plek waar wit veen werd gestoken. Volgens Otten heeft de begroeiing van de plek, i.c. witte bloemen, gezorgd voor de naamgeving. Zo ontstond in Emst zowel de naam Withagen (Emsterbroek) als Witteveen.

    Hoe oud is de naam? In de alleroudste bronnen, zoals grondbelastinglijsten, vond ik de naam niet. Aangezien hetzelfde voor Withagen geldt, denk ik dat deze namen pas later zijn ontstaan. De oudste vermelding dateert dan ook ‘pas’ uit 1485.

    Tekening van de boerderij ’t Witteveen
    Tekening van de boerderij ’t Witteveen, gemaakt door W.A. Forbes, 1971. (Collectie Streekarchief, met dank aan Gerrit Kouwenhoven)

    De oudste gegevens

    In het door ds. Rutgerus Vittaeus aangelegde kerkenboek van Epe wordt het Witteveen voor het eerst genoemd. In de opsomming van de bezittingen van St. Cruzius­vicarie tot Epe, genoteerd in 1605, heeft de predikant nauwkeurig genoteerd hoe deze vicarie in 1485 werd gesticht en wie er schenkingen deed. Johan to Bracke schonk toen twee morgen, gelegen in het Witteveen in een kamp, de latere Witteveenskamp. De schenker woonde met grote waarschijnlijkheid in de boerderij De Brake, gelegen aan de huidige gelijknamige weg, niet ver van het huidige Witteveen.

    Pas in de zeventiende eeuw duiken er bewoners van Witteveen op. Ds. Vittaeus noteerde in 1616 dat Jacob Jansen ‘ant Witteveens kamp’ een akker van de kerk pachtte voor vier gulden en twee vim rijzen per jaar. Deze akker lag in de Haverkamp, dus tussen Jacobs huis (aan het Witteveen) en de tegenwoordige Haverkampsweg. Uit een andere verpachting wordt duidelijk dat het Witteveen toen nog een gebiedsaanduiding was, want in hetzelfde jaar worden twee akkers, elders in Epe op de Pastoriekamp, verpacht aan Gerrit Henricks Witteveen. Deze man woonde dus ook in het gebied Witteveen en zal een zoon zijn geweest van Hendrick Witteveen, wiens andere zoon in 1610 in Epe trouwde.

    Eveneens in 1616 tekende dominee Vittaeus op dat Fenne Bengers te Westendorp van een kamp op het Witteveen, waarvan het eikenhout eigendom was van de pastorie, jaarlijks een mud rogge diende af te dragen. Deze kamp land behoorde later toe aan haar zoon Egbert Everts – een van de eerste ouderlingen van de Nederduitsch-gereformeerde kerk – en weer iets later aan de al genoemde Jacob Jansen. Mogelijk was Jacob getrouwd met een dochter van Egbert, want hij wordt vaker in relatie tot hem genoemd. Jacob deed in 1618 goede zaken met ds. Vittaeus toen hij diens hout om de Witteveenscamp kocht voor vier gulden, een kar rijzen en een ‘vierdeel’ bier. Dat laatste was een klein vat bier, geschat 40 liter.1) Uit andere inschrijvingen blijkt dat er nog meer inwoners in of rond het Witteveen moeten hebben gewoond, zoals een zekere Theunis Spaen (1623) en diens zoon Jan Theunis Spaen (1638).

    Witteveen - een familienaam


    Behalve de boerderij en vroeger het gelijknamige gebied werd Witteveen ook een familienaam. De naam zal aangenomen zijn door pachters van de boerderij.

    In 1751 trouwde Gerrit Witteveen met Maria van Putten. Vóór dat jaar zal Gerrit de familienaam nog niet echt gebruikt hebben, want zijn doopinschrijving is niet onder de familienaam geregistreerd. Na 1751 neemt het aantal Witteveens snel toe in de Eper kerkenboeken. Het is thans een algemeen voorkomende familienaam in de gemeente Epe.

    Volgens de volkstellingen van 1947 en 2007 kwam de familienaam Witteveen respectievelijk 2212 en 3567 keer voor. In het laatste jaar het vaakst in Amsterdam (111), Apeldoorn (172) en Leeuwarden (106). Ook werden er veel naamdragers geteld in Epe (77) en Nunspeet en Voorst (beide 52). Zo goed als zeker betreft het niet één, maar meerdere families, dus met meerdere stamvaders en -gebieden. Bron: Meertensinstituut: databank Nederlandse familienamen.

    Molenaars in Zuuk

    In een van de tijnsregisters van Epe blijkt dat Johan van Wijck (op de Emsterhof) op 27 januari 1648 eigenaar werd van een stuk land dat daarvoor in het bezit was van Beernt Henrix te Zuuk, en daarvoor van Henricxken Reijners, weduwe van Jacob Martens ‘opt Witteveen’.2) De laatstgenoemde heette ook wel Jacob Martens Paulsen en Jacob Martens Muller. Al in 1613 woonde hij aldaar; in dat jaar werd zijn oudste zoon Marten gedoopt. Zijn zoon Derck Jacobs Muller, geboren 1620, was later bezitter van de grond. Vader en zoon waren beiden molenaars op de Zuuker korenmolen, terwijl ook Jacobs vader – Marten (Paulsen) Moller – mogelijk al molenaar was op de Zuukermolen.3) Mogelijk waren deze molenaars de bouwers van een boerderij die Witteveen heette, want Dercks zoon Marten Dirks, getrouwd met Eva Geerlichs, verpandde in 1678 een huis, hof, met land, het Witteveen, in de buurtschap Westendorp aan het echtpaar Peter Jans (Douw/Douwes) en Aeltjen Egberts. Later werd dit omgezet in een koopcontract.

    Uit enkele akten met betrekking tot de molen wordt duidelijk dat Witteveen westelijk van de kopermolen van het echtpaar Frans Jan Haack en Catharina Elisabeth Bakker lag. In 1748 vestigden zij een hypotheek op hun korenmolen en koolschuur in Zuuk met als grensbepaling ‘westwaarts het erf Witteveen’. In 1778 werd dit herhaald, al werd de korenmolen toen omgebouwd tot papiermolen.4)

    Aquarel van ’t Witteveen, gesigneerd ‘Laut ‘80’.
    Aquarel van ’t Witteveen, gesigneerd ‘Laut ‘80’. Het werk is van een onbekende kunstenaar met de naam Lautenslager volgens: D. Hamer, ‘Kunstcollectie gemeente Epe’ (Epe 2013) pag. 76. (Met dank aan Gerrit Kouwenhoven)
    ’t Witteveen
    ’t Witteveen (met dank aan Streekarchief Epe, Hattem en Heerde)

    Families Douws en Van Marle

    Uit het tijnsregister blijkt dat de molenaars ook nog een stuk land bezaten dat klein­zoon Marten Derks (Muller) vóór 1700 moet hebben verkocht aan Peter Jans Douws. In het register wordt de laatste aangeduid als ‘van het Witteveen’. Deze toenaam voor Douws betekent dat hij op de boerderij Witteveen woonde. Mogelijk had hij het Witteveen geërfd via zijn moeder, die dan een dochter moet zijn geweest van Egbert Herms, kerkmeester van Epe, die in Westendorp woonde. Deze was op zijn beurt een zoon van Hermen Decemers, die bezitter was van tijnsland dat de naam Withagen droeg. Dat bezit was oorspronkelijk in eigendom van Gerrit van Emst – die leefde eind vijftiende eeuw – en dat was via latere bezitters bij Hermen in bezit gekomen.5) Douws was niet de alleenbezitter van het goed Witteveen. In 1725 leenden Jan Jans Dries Prijs en diens vrouw Mechteldje Hendriks geld, met Witteveen als onderpand. Deze ‘hypotheek’ kwam echter in bezit van leden van de familie Douws en werd later doorverkocht.

    In 1736 verkocht Aeltjen Egberts, weduwe van Peter Jans Douws, een half huis en goed in Emst aan Egbert en Margaretha Douws, die de andere helft al bezaten. De beide bezitters zouden het goed niet zelf bewonen, want Margaretha woonde in Amsterdam. Pas uit een andere akte, uit 1736, blijkt dat dit het erf Witteveen betrof. In dat jaar werd Egbert alleenbezitter, toen zijn zuster haar helft aan hem opdroeg. Kort daarvoor maakte Egbert, getrouwd met Catharijna van Galen, zijn testament.

    In 1767 zou een aantal transacties plaatsvinden bij de schouten van Doornspijk, Epe en Heerde. Meerdere personen verkochten hun aandelen in het (huidige) erf en goed Witteveen. De eerste akte betreft het echtpaar Jan Jaspers en Aaltjen Douws, en haar zuster Jantje Douws. Zij verkochten in februari 1767 een ‘partje’ van Witteveen. In maart volgden de zusters Willemina en Maria Douws, beiden weduwe, in juli de broers Eibert, Herman, Jacob, Derk en Jan Jacobsen, die ook een partje verkochten. Tot slot zouden in augustus nog andere erfgenamen van Egbert Douws voor 650 gulden hun helft van huis, hof, wei- en hooiland alsmede een bosje, genaamd Witteveen, verkopen. De koper in 1767 was Berent van Marle, rentmeester van de Veluwe. Hij was getrouwd met Johanna van Apeldoorn. Hij was een telg uit een familie die oorspronkelijk uit Heerde kwam en daar via het brouwerswezen goed boerde. Johanna was een telg uit een patriciërsfamilie uit Harderwijk. Het echtpaar kocht Witteveen als belegging. Dit kwam goed van pas toen drie jaar later hun zoon Berent junior schout en ontvanger van het ambt Doornspijk werd. Voor de laatste functie diende hij een waarborg te stellen. Zijn ouders stelden hiervoor Witteveen beschikbaar. Toen vader Berent sr. zestien jaar later overleed, erfde junior onder andere huis, hof, bakhuis, erf en goed, genaamd Witteveen.6) Berent bleef tot 1820 eigenaar van het goed.

     

    Familie Jonker

    In 1820 werd Jacob Kooiman de nieuwe eigenaar van Witteveen. Lang bleef hij niet in het bezit van het erf, want nog hetzelfde jaar werd Jan Hulman bezitter. Ook hij was maar kort in het bezit van het erf, want in 1821 werd Jannes (ook Hannes) Jonker, meester-smid, eigenaar. In 1832 noteerde het kadaster dat Hannes Jonker eigenaar was van huis en erf, groot 8 are 30 centiare (= 830 m2), in de kadastrale gemeente Epe en Oene, sectie O, nummer 403. Naast gelegen waren nog twee percelen bouwland, groot een kleine twee hectare, en een aangrenzend bosperceel van bijna een halve hectare, eveneens in bezit van Hannes en zijn vrouw Geertrui Stomphorst. Nabijgelegen bezat men ook nog bos en bouwland; in totaal was het bezit 16 hectare.7) Beiden zouden niet veel later overlijden. In 1837 werd de bezittingen onder de kinderen verdeeld. Hendrik Jonker, logementhouder, depothouder van de postwagen (in De Arend) en smid, kreeg Witteveen. Jonker, getrouwd met Maria van Laar, was als ondernemer in Epe veel te druk om zich om de boerderij te bekommeren. Wie de feitelijke bewoner was, is niet te achterhalen.

    In 1847 had het echtpaar geld nodig; als onderpand dienden hun vier huizen, waaronder Witteveen. Of het geld gebruikt werd als aanbetaling voor de koop van de herberg van Johannes Overbosch en Johanna Brouwer, nabij de plek van het oude gemeentehuis? Pas in december 1854 werd dat een feit.8) Jonker bleef tot 1868 actief als ondernemer, maar ook hij boerde niet zelf op Witteveen.

    De volgende bezitter van Witteveen werd Jan Willem Wynoldi, koopman te Deventer, die het als beleggingsobject kocht. Het vererfde al snel op zijn minderjarige zoon Arnoldus, wiens voogden Witteveen omstreeks 1856 verkochten aan Albertus Koekkoek, koperslager, later fabrikant, en lid van de gemeenteraad, en diens vrouw Petronella Biesterbosch. Na zijn overlijden verkocht zijn weduwe Witteveen aan Egbertus Oosterbroek, bakker. Hij zou het goed bezitten van omstreeks 1877 tot 1888 waarna Jacob Berghuis W.Jzn uit Apeldoorn eigenaar werd voor slechts twee jaar. Na hem werden landbouwer Egbert Nieuwenhuis, winkelier Hermannus Veldhuis en arbeider Timen Pannekoek gezamenlijk eigenaar van Witteveen en de omliggende landerijen. Veldhuis zou nabij Witteveen een nieuw huis laten bouwen, terwijl Nieuwenhuis Witteveen zou houden. Hij trouwde met Engelina Pijkeren, weduwe van J. Jonker, die hem overleefde. Zij verliet Witteveen al kort na zijn dood om het te verkopen aan het echtpaar Albertus Visch en Hendrikje Koetsier, die het huis, de schuren, een bakhuis en een kippenhok lieten registreren onder sectie O 2026, groot 1.74.00 hectare. Na hen was Hermannus Koetsier Aartsz., landbouwer, de laatste in het openbare kadaster geregistreerde eigenaar van het hernummerde perceel: nu sectie O 2234.

    Noten 

    1) Streekarchief Epe, Hattem en Heerde, kerkarchief Epe, invnr. 1, fol. 107, 120, 134, 145, 157vso, 232, 240.
    2) Het Gelders Archief (HGA), ar. Gelderse Rekenkamer, invnr. 1344, fol. 49, 201, 203.
    3) H. Hagens, Op kracht van stromend water: negen eeuwen watermolens op de Veluwe (Hengelo 1998) 186. Hagen meldt noch grootvader noch kleinzoon als molenaar.
    4) HGA, Rechterlijk archief Veluwe en Veluwezoom, invnr. 910 e.v. (Zie: website Streekarchief Epe, Hattem en Heerde, onder oud-notarieel. In dit bestand zijn alle en verdere akten tot 1811 gemakkelijk te achterhalen.)
    5) Idem, fol. 163.
    6) Zie 4).
    7) Kadastrale atlas Gelderland. 1832. Epe en Oene (Velp 1997). Uitgave Stichting werkgroep kadastrale atlas Gelderland.
    8) Jan Paasman, Gastvrij Epe: geschiedenis van de oude brouwerijen, herbergen, hotels en cafés in het dorp Epe (Epe 2009) 42-43.
    Geen reactie's

    Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.