Schobbertsweg 3

Schobbertsweg 3

Vorstelmanserve; later Den Emsterenk.

M 991

Auteur:
Evert de Jonge

Inhoudsopgave:

    Inleiding

    Een van de oudste families in Emst is de familie Vorstelman. Door het wegvallen van de ‘r’ in de naam ontstond tevens de naam Vosselman. De naam werd al voor 1600 in Emst genoemd. Mogelijk kreeg de familie zijn naam als uitoefenaar van het beroep van wildforster; jachtopziener. Een van hen kan dan de naamgever van het Vorstelmanserve zijn geweest. De boerderij werd in de 18e eeuw via een erfenis eigendom van Het Feithenhof. In het archief van deze in Elburg gevestigde instelling berusten veel archivalia van deze en andere boerderijen in onder andere Emst. Het verhaal start dan ook met de korte geschiedenis van het Feithenhof.

    Vorstelmanserve 1
    Vorstelmanserve/Den Emsterenk

    Het Feithenhof

    Een aantal instellingen of grootgrondbezitters hadden onroerend goed in het schoutambt Epe, zoals de Het Feithenhof in Elburg. Deze instelling werd gesticht in 1740 en was gebaseerd op de erfenis van Maria Catharina Feith. Zij was tweemaal getrouwd. Haar eerste man was Arent Feith? en haar tweede man Gerhard baron Witten. Uit beide huwelijken werden geen kinderen geboren en volgens haar testament (1733) werd alles nagelaten aan een te stichten tehuis voor arme oude mensen. De leiding werd opgedragen aan de predikanten van Elburg, Doornspijk, Oldebroek en Oosterwolde. Een rentmeester zorgde voor het beheer, terwijl zijn vrouw de dagelijkse gang van zaken in het Feithenhof regelde. De instelling bestaat nog steeds.

    Maria Catharina Feith erfde van haar voorouders onder andere enkele boerderijen in Dijkhuizen, twee in Emst (Emsterenk en Schaveren) en een in Vaassen (erf Suijkerbrink). Dankzij dit feit en het beheer van het Feithenhof zijn in de archieven belangrijke gegevens te vinden over dit bezit.

     

    De oudste gegevens

    Het archief Feithenhof omvat onder andere een aantal oude akten, die van voor

    de stichting dateren. Deze dienden toen als eigendomsbewijs. De oudste met

    betrekking tot de geschiedenis van Vorstelmanserve dateert uit 1519. Peter Francken, wonende te Harderwijk, verkocht toen op maandag na St. Maarten aan Wyntgen Dirckss& Alijt, zijn zwager en zuster, zijn halve erve gelegen aan de Emsterenk, voorts vijf schepel land in het dorp Hierde. Hij had het via een erfenis gekregen.

    Vijf jaar later zouden Jacob Jacobs & Griete aan Wyntgen & Alijt zes schepel

    land in de ‘boerschap’ (buurtschap) Emst verkopen. In 1599 volgde nog de verkoop door Johan Jacobsz Bus (Bosch) & Jenna van een huis en hof, zijnde een onderdeel van het herengoed van Evert Jacobs, aan Jochem Wyntken, een zoon van de al genoemde eerdere kopers. Mogelijk betreft het allemaal afgesplitste delen uit het eeuwenoude erf Aelt Thijmen Ponsteensgoed. Door verkoop of vererving zou dit goed in de 17e eeuw in bezit van Jacob Vorstelman komen.

    Van Ommeren en Feith

    Na het overlijden van Jacob vererfde het op een dochter: Grietgen Jacobs Vorstelman, getrouwd met Aert Henrycks. Op 26-2-1654 verkocht dit echtpaar een deeltje van Ponsteen aan Wynant van Ommeren, burgemeester van Elburg, & Juffr. Johanna Warners. Dit deel werd daarna Vorstelmanserve genoemd. De akte meldt, dat op de Emsterenck lag ‘zijnde een zaalweer van een herengoed’, welk met toestemming van de Landschap(Domeinen) tot tynsgoed was gemaakt. Het betrof een huis met een hofstede niet ver van de genoemde zaalweer (Zuiden: de gemene weg, Noorden: verkopers, Oost+West: koper).

    Al eerder had het echtpaar Van Ommeren 3 morgen hooiland en 2,5 morgen ‘slecht’ weideland verworven die zij voor 12 gld. het jaar aan Gerrit Jansen de oude in pacht hadden gegeven. Na de aankoop van Vorstelmanserve werd Gerrit ook daar de pachter. Dat was nog zo in 1666. Toen werd Vorstelmanserve aangeslagen in de verponding (grondbelasting) voor 9 gld., 16 stuivers en 4 penningen.

    Het erf vererfde op de oudste dochter Maria van Ommeren, in 1640 getrouwd met Berend Feith, zoon van Johan Feith en Sibilla Sacks. Hij was later zowel burgemeester als schepen van Elburg en overleed 1665. Maria overleefde hem 23 jaar. Mogelijk hadden zij geen kinderen, zodat haar bezit terugviel op haar jongere zuster Eva van Ommeren, getrouwd met Dibbolt Feith, zoon van Arnt Feith, richter van Oldebroek, en Margaretha Alleman.

    Eva en haar man hadden zeven kinderen, waaronder de in 1665 geboren Maria Catharina Feith; de stichtster van het Feithenhof.

    Feith

    Maria Catharina Feith, geboren 1665, trouwde dus tweemaal. De eerste keer gebeurde dat op 17 maart 1700 in Garderen. De bruidegom was Arend Feith, zoon van Hendrik Feith en Wobbigje Hegeman. Haar schoonmoeder stamde uit een familie die eveneens grond bezat onder Emst. Arent was zowel burgemeester van Elburg als richter van Oldebroek. Hij overleed in 1708. Na vier jaar hertrouwde Maria Catharina, weer in Garderen, en wel met Gerhard baron Witten. Deze diende eerst in het leger en had de rang van majoor. Dankzij zijn huwelijk kon hij op grond van haar bezit in Epe admitteren als ambtsjonker van het schoutambt Epe (hij was dit van 1714-1735). Door uit dienst te treden stond niets in de weg om dit eveneens te doen in de Ridderschap van Veluwe. Hij stapte daarmee in de voetstappen van zijn vader.

    Ofschoon Witten uit Harderwijk stamde zal het echtpaar na het huwelijk voornamelijk in Elburg hebben gewoond. Hij werd er evenals Maria’s eerste man burgemeester van het visserstadje. Voor vergaderingen met de andere Eper ambtsjonkers reisde hij enkele maanden per jaar naar Epe en zal dat gecombineerd hebben met het beheer over de bezittingen in Emst, zoals Vorstelmanserve.

    Na het overlijden van Maria Catharina werd hun bezit dus overgeheveld naar het Feithenhof. Dat betrof ook een aantal archivalia zoals een pachtboek, dat in 1701 start.

    Oudste pachtgegevens

    Het oudste pachtboek meldt in 1701 dat het erf te Epe ‘Den Emsterenck jaarlijks 15 molder half rogge, half boekweit en aan geldpacht 24 gulden opbrengt. Voor het bosje in de Oosterwijk moest zes gulden worden betaald. Als toepacht moest nog 2 molder rogge en vier paar hoenders, terwijl de tyns tot last van de pachter evenals de halve verponding (grondbelasting). Bij het goed hoorde nu ook een akkertje zaailand dat van Evert Everts was aangekocht. De pachter betaalde hiervoor jaarlijks vijf schepel zaad, twee deel rogge en een deel boekweit. Om het recht alle holtgewas te gebruiken betaalde men 83 gulden.

    De eerste pachter, die tevens in het register werd genoemd, was Aelt Gerrits (Brouwer) die tot 1716 werd genoemd. In dat jaar was hij al overleden, toen zijn weduwe de pacht betaalde. Al eerder had zijn dochter Cornelisje Aarts dat gedaan; zij trouwde (voor 1719) met Jan Tuenis, die in 1725 voor 6 jaar pachter werd onder dezelfde voorwaarden. Het echtpaar kreeg de volgende kinderen: Zwaantje (1719), Aert (1720), Hendrik (1725), Jennigje (1727), Gerrit (1732), Gerrit (1733) en Egbert (1735). Niet allen zullen de kindertijd overleven.

    In eerste instantie pachtte Jan niet alles, want in 1720 betaalde hij apart voor een gekocht ‘holtheggetje van het erf waar hij op woont’. Idem ook de jaren erna betaalde hij de pacht. Ook later werd er hout gekocht: in 1733 de elzenhaag staande terzijde van het huis voor 50 gulden. Dat jaar betaalde zijn vrouw de pacht, men regelde een reparatie, tevens werd het schoorsteengeld en de verponding verrekend.

    In het eerste pachtboek onder beheer van het Vorstelmanserve werd in 1740 aangetekend dat het erf aan de Emsterenk, (nog steeds) in pacht was bij Jan Teunis voor zestien mud half rogge/boekweit, en 24 gulden. Vanaf 1745 werd het erf voor 20 jaar voor aan hem en zijn kinderen verpacht voor 16,5 mud rogge, een ½ mud boekweit en 24 gulden. Ook diende men het derde deel van de verponding te betalen. Verder was er nog toepacht van vier paar hoenders, twee vette ganzen en diende de tyns van vier gulden en vijf stuivers betaald te worden evenals een schepel keurzaad aan de dijkgraaf van Veluwe.

    In 1754 volgde zijn zoon Aart Jansen hem op die tot 1770 pachter bleef. Hij trouwde in 1754 met Jentje Gerrits die op de Loobrink woonde. Zij kregen geen nakomelingen. Vanaf 1770 werd zijn broer Gerrit Jansen pachter, die op zijn beurt weer in 1793 werd opgevolgd door Berent Jansen, die tot ongeveer 1804 pachtte. Mogelijk is hij identiek met Berent Jans Smit die eerder op Koeweg 4 boerde en getrouwd was met Maria Willems.

    Negentiende eeuw

    Vanaf 1805 werd Derk Peters Jonker pachter. Deze was geboren in 1786 te Epe, waar hij in 1805 trouwde met Jennigje Jans.

    Vervolgens is er een hiaat in de bewaard gebleven boeken. Pas in 1819 zijn er weer gegevens. In dat jaar werd Jannes Bosch als zodanig genoemd, al moet hij al eerder in zee zijn gegaan met het Vorstelmanserve. De pacht bedroeg toen fl. 33,17, naast zeven mud rogge en zeven mud boekweit en als toepacht twee ganzen en drie paar hoenders

    In 1827 werd hij opgevolgd door Geerlich Bomhof, getrouwd met Christina Struikenkamp. Hij en zijn vrouw kwamen uit Olst. Uit het huwelijk werden meerdere kinderen geboren.

    Hij overleed in 1851 waarna zijn weduwe nog tot 1869 betaalde. Zij werd opgevolgd door haar zonen die ingaande 1887 fl. 225 per jaar betaalden, naast twee vette ganzen en drie paar volwassen hoenders, af te leveren in de kwekerij te Epe.

    Vanaf 1886 betaalde Dirk Jan Bomhof tot 1893 de pacht. Hij werd voor 5 jaar opgevolgd door Gerrit Vorstelman. In 1898 ging diens opvolger Willem Vrijlandt akkoord met een pacht van fl. 220 en de toepacht. Drie jaar later zou Peter Hendrikus van Putten voor fl. 130 de pacht overnemen voor een dan sterk verkleind erf.

    In 1919 was zijn weduwe Teuntje Zonnenberg pachtster voor fl. 170, later fl. 350. Zij overleed in 1927 en werd voor 1932 opgevolgd door C. Wissink.

    Bronnen

    Met toestemming van het Feithenhof werden archivalia, aanwezig in het streekarchief NW-Veluwe, van voor 1940 bekeken, waarop dit verhaal grotendeels is gebaseerd.
     

    Boerderijen en woonhuizen – Schobbertsweg

    Geen reactie's

    Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.